Vaarbewijs oefenen

Vaarbewijs oefenen

BPR vragen oefenen

Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) is het grootste deel van het examen Klein Vaarbewijs 1: vaarregels, verlichting, dagtekens, geluidsseinen en de tekens langs de vaarweg. Hieronder 10 BPR-vragen die niet op de onderwerppagina's staan.

10 extra BPR-vragen

  1. 1. Wat is volgens het BPR een snel schip?

    1. Elk schip dat sneller dan 20 km per uur vaart
    2. Een groot motorschip dat sneller dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen
    3. Een snelle motorboot zoals bedoeld in hoofdstuk 8
    4. Elk motorschip dat sneller dan 40 km per uur ten opzichte van de wal kan varen
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Een groot motorschip dat sneller dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen

    Artikel 1.01 A.5° BPR: 'snel schip: groot motorschip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen'. Twee dingen tellen: het moet een groot schip zijn, en de snelheid wordt gemeten ten opzichte van het water, niet ten opzichte van de wal. De afleider 'snelle motorboot uit hoofdstuk 8' verwart twee verschillende begrippen: een snelle motorboot is meestal juist een klein schip.

    Bron: BPR artikel 1.01 A.1° t/m A.18°, BPR artikel 6.02

  2. 2. Wat moet een schip doen als het een engte binnenvaart terwijl het uitzicht niet vrij is?

    1. Een reeks zeer korte stoten geven, en die tijdens het doorvaren blijven herhalen
    2. Eén lange stoot geven, en dat zo nodig tijdens het doorvaren herhalen
    3. Twee lange stoten geven, en die zo nodig bij het uitvaren van de engte herhalen
    4. Drie korte stoten geven, zodat de tegenligger weet dat u achteruit kunt slaan
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Eén lange stoot geven, en dat zo nodig tijdens het doorvaren herhalen

    Artikel 6.07 lid 4 BPR schrijft één lange stoot voor voordat het schip de engte binnenvaart, en herhaling van dat sein tijdens het doorvaren wanneer de engte lang is. Een reeks zeer korte stoten betekent dat er gevaar voor aanvaring dreigt en hoort hier niet; drie korte stoten betekent volgens bijlage 6 'ik sla achteruit'.

    Bron: BPR artikel 6.07 lid 1 t/m 6 en lid 8, BPR bijlage 6

  3. 3. Voor welk schip geldt artikel 6.13 BPR over keren níet?

    1. Voor een snelle motorboot
    2. Voor een veerpont
    3. Voor een sleep
    4. Voor een zeilschip onder zeil
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Voor een veerpont

    Artikel 6.13 lid 5 BPR: dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een veerpont. Voor veerponten geldt in plaats daarvan artikel 6.23, dat een eigen regeling geeft: een klein schip moet voorrang verlenen aan een vertrekkende, kerende of overstekende veerpont. Dezelfde uitzondering staat bij vertrekken in artikel 6.14 lid 5.

    Bron: BPR artikel 6.13, BPR artikel 6.23

  4. 4. Welk licht voert een groot schip dat 's nachts aan de oever gemeerd ligt?

    1. Twee witte lichten boven elkaar aan de zijde van de oever, het bovenste op ten minste 4 meter
    2. Een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater, op ten minste 3 meter
    3. Een rood licht aan de zijde van het vaarwater, op ten minste 3 meter boven het wateroppervlak
    4. Boordlichten en een heklicht, zodat het schip ook stilliggend als varend schip herkenbaar is
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater, op ten minste 3 meter

    Artikel 3.20 lid 1 BPR: een groot schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt voert 's nachts een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op ten minste 3 meter, of in plaats daarvan twee zulke lichten op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het achterschip. Aan de oeverzijde is geen licht nodig: daar komt niemand langs. Ligt het schip stil zonder aan de oever gemeerd te zijn, dan geldt lid 2 en voert het twee witte lichten op verschillende hoogte.

    Bron: BPR artikel 3.20 lid 1, 2, 4 en 5

  5. 5. Waarom verbiedt artikel 3.07 BPR bepaalde lichten en voorwerpen aan boord?

    1. Omdat zij tot verwarring met de voorgeschreven tekens kunnen leiden of de herkenning daarvan kunnen bemoeilijken
    2. Omdat zij niet in bijlage 3 zijn opgenomen en dus geen officieel teken van het reglement zijn
    3. Omdat zij energie verbruiken die voor de navigatieverlichting nodig is, waardoor die zwakker kan worden
    4. Omdat zij alleen door de bevoegde autoriteit mogen worden gevoerd, bijvoorbeeld op patrouillevaartuigen
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Omdat zij tot verwarring met de voorgeschreven tekens kunnen leiden of de herkenning daarvan kunnen bemoeilijken

    Artikel 3.07 lid 1 BPR verbiedt lichten, verlichting, zoeklichten, vlaggen, borden, wimpels of andere voorwerpen die kunnen leiden tot verwarring met de voorgeschreven tekens dan wel de waarneembaarheid of herkenning daarvan kunnen bemoeilijken. Lid 2 verbiedt daarnaast verblindend gebruik van lichten of zoeklichten. In de praktijk raakt dit sfeerverlichting en felle dekverlichting die uw eigen boordlichten onherkenbaar maken.

    Bron: BPR artikel 3.07 lid 1

  6. 6. Wat betekent teken B.11 (zie het beeld)?

    Situatieschets bij de vraag
    1. De verplichting de marifoon te gebruiken of zich te melden op het aangegeven kanaal
    2. De verplichting een geluidssein te geven op de plaats waar het bord staat
    3. De verplichting bijzonder op te letten op het gedeelte na het bord
    4. De verplichting snelheid te minderen tot het aangegeven aantal kilometers per uur
    Toon antwoord

    Antwoord: A. De verplichting de marifoon te gebruiken of zich te melden op het aangegeven kanaal

    Teken B.11 uit bijlage 7 deel B verplicht gebruik te maken van de marifoon overeenkomstig de daartoe vastgestelde voorschriften, dan wel zich te melden op het aangegeven marifoonkanaal. Dat sluit aan op de uitluister- en meldplichten van artikel 4.05 en artikel 9.07 BPR. Teken E.23 lijkt erop maar is een aanwijzing en geen gebod: dat vermeldt slechts welk kanaal voor nautische informatie in gebruik is.

    Bron: BPR bijlage 7 deel B Gebodstekens, BPR artikel 4.05 lid 1, 4, 5, 8 en 9, BPR artikel 9.07 lid 4

  7. 7. Wat betekent teken E.16 (zie het beeld)?

    Situatieschets bij de vraag
    1. Kleine schepen toegestaan
    2. Snel varen toegestaan
    3. Zeilschepen toegestaan
    4. Motorschepen toegestaan
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Kleine schepen toegestaan

    Bijlage 7 deel E BPR geeft een reeks toestemmingstekens per categorie: E.15 motorschepen toegestaan, E.16 kleine schepen toegestaan, E.17 waterskiën toegestaan, E.18 zeilschepen toegestaan, E.19 door spierkracht voortbewogen schepen toegestaan, E.20 zeilplanken toegestaan, E.21 snel varen voor kleine motorschepen toegestaan en E.24 waterscooters toegestaan. Het zijn aanwijzingen die een activiteit ergens juist wél mogelijk maken.

    Bron: BPR bijlage 7 deel E Aanwijzingstekens

  8. 8. U ziet teken A.1 langs de vaarweg. Wat betekent dat?

    Situatieschets bij de vraag
    1. Voorbijlopen verboden
    2. Keren verboden
    3. Ligplaats nemen verboden
    4. Doorvaart verboden
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Doorvaart verboden

    Teken A.1 uit bijlage 7 deel A is het algemene verbodsteken doorvaart verboden. U komt het op veel plaatsen tegen: boven een doorvaartopening van een vaste brug (artikel 6.25 lid 1), als één of twee rode vaste lichten bij een sluis (artikel 6.28a), en volgens deel G ook als rood-wit-rood rechthoekig bord aan kunstwerken. De afleiders horen bij A.5 (ligplaats nemen), A.2 (voorbijlopen) en A.8 (keren).

    Bron: BPR bijlage 7 deel A Verbodstekens, BPR artikel 6.25, BPR artikel 6.28a

  9. 9. Wat is het verschil tussen het kanaal voor schip-schipverkeer en het kanaal voor nautische informatie?

    1. Er is geen verschil; het zijn twee namen voor hetzelfde kanaal, dat per vaarweg door de autoriteit wordt aangewezen
    2. Schip-schipverkeer is voor noodgevallen en spoedberichten, nautische informatie voor gewone gesprekken tussen schepen
    3. Schip-schipverkeer is het onderlinge verkeer tussen schepen, nautische informatie is het verkeer met de walposten voor de scheepvaart
    4. Schip-schipverkeer geldt alleen voor grote schepen, nautische informatie ook voor kleine schepen met een marifoon
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Schip-schipverkeer is het onderlinge verkeer tussen schepen, nautische informatie is het verkeer met de walposten voor de scheepvaart

    Artikel 4.05 lid 3 en 4 BPR onderscheiden de kanalen voor het schip-schipverkeer, waarop schepen onderling afspraken maken over passeren en voorbijlopen, en de kanalen voor de nautische informatie, waarop de voor de scheepvaart ingestelde diensten en verkeersposten informatie geven. Op de vaarwegen van bijlage 9 moet een groot schip op beide tegelijk uitluisteren, en dat is precies de reden dat het daar twee marifoons aan boord moet hebben.

    Bron: BPR artikel 4.05 lid 1, 4, 5, 8 en 9, BPR bijlage 9

  10. 10. Mag u de marifoon gebruiken om een ander schip te vragen zijn koers te wijzigen?

    1. Nee, over de marifoon mogen geen manoeuvres worden besproken; daarvoor zijn uitsluitend de geluidsseinen bedoeld
    2. Nee, dat mag alleen een groot schip; een klein schip mag de marifoon alleen gebruiken om uit te luisteren
    3. Ja, voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten zijn toegestaan, maar de vaarregels blijven bepalen wie voorrang heeft
    4. Ja, en de gemaakte afspraak gaat boven de vaarregels, zodat het schip dat voorrang had die daarmee opgeeft
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ja, voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten zijn toegestaan, maar de vaarregels blijven bepalen wie voorrang heeft

    Artikel 4.05 lid 4 BPR verplicht juist om op de aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten te geven, dus overleg over een passeermanoeuvre hoort erbij. Wat de marifoon niet doet, is de voorrangsregels opzijzetten: artikel 6.03 en de vaarregels van hoofdstuk 6 blijven gelden, en een schip dat volgens die regels voorrang moet verlenen blijft daartoe verplicht. De afleider dat de afspraak boven de vaarregels gaat is de gevaarlijkste misvatting van dit onderwerp.

    Bron: BPR artikel 4.05 lid 1, 4, 5, 8 en 9, BPR artikel 6.03 lid 1, 3, 4, 5, 6 en 7