Gratis proeftoets vaarbewijs 1
20 vragen verdeeld over het hele examen, zoals het CBR ze verdeelt: vooral vaarregels en het BPR, daarnaast betonning, tekens, weer, veiligheid en manoeuvreren. Je slaagt bij 70% goed.
Beantwoord alle vragen en zie onderaan je score. Het echte examen telt 40 vragen, sommige zwaarder dan andere; de proefexamens in de app volgen dat formaat precies.
-
1. Onder welke brandklasse valt een brand in de dieselolie in de bilge?
- Klasse B
- Klasse F
- Klasse A
- Klasse C
Toon antwoord
Antwoord: A. Klasse B
Klasse B is de klasse van brandbare vloeistoffen, en daar valt dieselolie onder. Klasse A gaat over vaste stoffen zoals hout, kussens en touw; klasse C over gassen zoals propaan en butaan; klasse F over bak- en frituurvet in de kombuis. De verwarring met klasse F ontstaat doordat beide om olie gaan, maar frituurvet heeft een veel hogere brandtemperatuur en vraagt een ander blusmiddel.
Bron: Afbakening B 2.1 Brandpreventie en brandbestrijding
-
2. Wat betekent 'beperkt zicht' voor u als schipper?
- Het is donker, zodat de lichten en dagtekens van andere schepen moeilijker te herkennen zijn
- Het is zwaar bewolkt, zodat het licht vlak is en u de oevers minder scherp ziet
- Het zicht is door mist, sneeuw, zware regen of rook zodanig beperkt dat de regels voor slecht zicht gaan gelden
- U vaart met de zon tegen, zodat u tegemoetkomende schepen pas laat kunt onderscheiden
Toon antwoord
Antwoord: C. Het zicht is door mist, sneeuw, zware regen of rook zodanig beperkt dat de regels voor slecht zicht gaan gelden
De afbakening noemt bij zicht het begrip beperkt zicht. Het BPR koppelt daar rechtstreeks gevolgen aan: artikel 6.29 lid 1 verklaart de hele afdeling over slecht zicht alleen van toepassing bij slecht zicht, en artikel 3.01 lid 4 verplicht u de nachtlichten ook overdag te voeren wanneer het zicht dat vereist. De oorzaak doet er niet toe en het reglement noemt geen aantal meters; in de scheepvaart spreekt men van mist bij een zicht van minder dan 1 kilometer. Duisternis en bewolking zijn iets anders, want daarvoor gelden de gewone lichtvoorschriften.
Bron: Afbakening C 2 Elementaire meteorologie, Zicht, BPR artikel 6.29, BPR artikel 3.01 lid 4, 5, 6 en 7
-
3. Wat kenmerkt een isofaselicht?
- Het licht brandt ononderbroken
- Het schijnsel duurt even lang als de verduistering
- Het schijnsel is korter dan de verduistering
- Het schijnsel is langer dan de verduistering
Toon antwoord
Antwoord: B. Het schijnsel duurt even lang als de verduistering
Bijlage 8 onderdeel 1.3.3 BPR somt de lichtkarakters op met hun verhouding tussen licht en donker. Isofase, afgekort Iso, betekent dat het schijnsel even lang duurt als de verduistering. Een schitterlicht (Fl) heeft een schijnsel dat kórter is dan de verduistering, een onderbroken licht (Oc) juist een schijnsel dat lánger is, en een vast licht (F) brandt ononderbroken. Die verhouding is dus het hele onderscheid.
Bron: BPR bijlage 8
-
4. Er valt iemand overboord. Wat zijn uw eerste drie handelingen?
- Direct keren en zo snel mogelijk terugvaren naar de plaats waar de drenkeling te water is geraakt
- Roepen zodat iedereen het weet, iets drijvends overboord gooien, en één persoon aanwijzen die de drenkeling niet uit het oog verliest
- Direct een noodoproep op de marifoon doen en wachten op hulp van de kustwacht of andere schepen
- Eerst de motor stoppen en dan de positie op de GPS vastleggen, voordat u iets anders doet
Toon antwoord
Antwoord: B. Roepen zodat iedereen het weet, iets drijvends overboord gooien, en één persoon aanwijzen die de drenkeling niet uit het oog verliest
De afbakening noemt bij de MOB-manoeuvre de middelen die kunnen worden gebruikt om de drenkeling terug te vinden, de manoeuvre zelf en het aan boord halen. Het grootste risico is dat u de drenkeling uit het oog verliest: een hoofd in het water is binnen tientallen meters onzichtbaar. Alarm, iets drijvends met zichtwaarde overboord, en een vaste uitkijk die niets anders doet dan wijzen, zijn daarom de eerste seconden. De MOB-knop op de GPS en de marifoonoproep volgen daar meteen op, maar vervangen die uitkijk niet. Die uitkijk doet niets anders dan kijken en wijzen.
Bron: Afbakening D 2 Manoeuvre Man over boord (MOB), Afbakening B 2.2 Reddingsmiddelen
-
5. U wilt met een klein motorschip keren op een kanaal. Er nadert een groot schip. Wat moet u doen?
- Drie korte stoten geven en dan keren
- Voorrang verlenen aan het grote schip
- Medewerking verlangen van het grote schip
- Keren, want een kerend schip heeft voorrang
Toon antwoord
Antwoord: B. Voorrang verlenen aan het grote schip
Artikel 6.13 lid 3 BPR: een klein schip moet bij het keren voorrang verlenen aan een groot schip. Alleen een groot schip mag bij het keren medewerking verlangen van een ander schip (lid 2); een klein schip mag dat volgens lid 4 uitsluitend van een ander klein schip. De afleider 'een kerend schip heeft voorrang' bestaat niet in het BPR; keren is juist een manoeuvre waarbij u de ander niet mag hinderen.
Bron: BPR artikel 6.13
-
6. Waarmee wordt een splitsing van twee vaarwaters van gelijk belang gemarkeerd?
- Een rood-wit verticaal gestreepte bolvormige ton zonder topteken, met een wit isofaselicht
- Een zwarte ton met een brede rode band en twee zwarte bollen als topteken
- Een rood-groen horizontaal gestreepte bolvormige ton met een rood-groene bol als topteken
- Een gele bolvormige ton met een geel liggend kruis als topteken en een geel schitterlicht
Toon antwoord
Antwoord: C. Een rood-groen horizontaal gestreepte bolvormige ton met een rood-groene bol als topteken
Bijlage 8 onderdeel 2.1.3 onder a BPR: bij vaarwaters van gelijk belang gebruikt men een bolvormig voorwerp, rood-groen horizontaal gestreept, met een rood-groene bol als topteken en een wit snel isofaselicht van 2 seconden. De sterkste afleider is de rood-wit verticaal gestreepte ton: dat is volgens onderdeel 6.3 de markering van veilig vaarwater, en die wordt in het BPR-gebied juist zónder topteken uitgevoerd, precies om verwarring met deze scheidingsmarkering te voorkomen.
Bron: BPR bijlage 8
-
7. Twee schepen hebben kruisende koersen. Eén ervan volgt de stuurboordszijde van het vaarwater. Wie verleent voorrang?
- Het kleinste van de twee schepen
- Het schip dat wél de stuurboordszijde volgt
- Het schip dat níet de stuurboordszijde volgt
- Het schip dat van bakboord nadert
Toon antwoord
Antwoord: C. Het schip dat níet de stuurboordszijde volgt
Artikel 6.17 lid 2 BPR is de hoofdregel bij kruisende koersen: het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, verleent voorrang aan het schip dat die zijde wel volgt. Pas als géén van beide de stuurboordszijde volgt, komen de vervolgregels van lid 3 en verder in beeld. Veel kandidaten beginnen meteen bij 'van bakboord wijkt voor van stuurboord' en slaan lid 2 over.
Bron: BPR artikel 6.17 lid 1 t/m 3 en lid 6 t/m 9
-
8. Welk klein motorschip mag 's nachts volstaan met één wit gewoon rondom schijnend licht?
- Elk open motorschip, ongeacht de lengte, zolang het niet harder kan dan 20 km per uur ten opzichte van het water
- Elk motorschip korter dan 15 meter, ongeacht de snelheid die het ten opzichte van het water kan bereiken
- Een open motorschip korter dan 7 meter dat niet harder kan dan 13 km per uur ten opzichte van het water
- Elk motorschip dat op dat moment langzamer vaart dan 6 km per uur ten opzichte van het water
Toon antwoord
Antwoord: C. Een open motorschip korter dan 7 meter dat niet harder kan dan 13 km per uur ten opzichte van het water
Artikel 3.13 lid 2 BPR stelt drie voorwaarden tegelijk: het schip moet klein zijn, open, korter dan 7 meter, én de hoogst bereikbare snelheid mag niet meer zijn dan 13 km per uur ten opzichte van het water. Het gaat om wat het schip kán, niet om hoe hard het op dat moment vaart; dat is precies wat de laatste afleider fout doet.
Bron: BPR artikel 3.13
-
9. Welk dagteken voert een varend schip dat door werkzaamheden in het vaarwater beperkt manoeuvreerbaar is?
- Drie zwarte bollen boven elkaar
- Een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol boven elkaar
- Twee zwarte kegels met de punten naar elkaar toe
- Een zwarte ruit tussen twee gele bollen
Toon antwoord
Antwoord: B. Een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol boven elkaar
Artikel 3.34 lid 1 onder b BPR: een varend schip dat wegens werkzaamheden in het vaarwater beperkt is in zijn mogelijkheden om uit te wijken, voert overdag een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol in een verticale lijn. 's Nachts zijn dat drie rondom schijnende lichten rood, wit, rood. De vorm loopt dus mee met de kleur: de ruit in het midden hoort bij het witte licht in het midden.
Bron: BPR artikel 3.34
-
10. U slaat achteruit met een schip met een rechtsdraaiende vaste schroef. Wat doet het wieleffect?
- Het schip loopt recht achteruit; het wieleffect werkt alleen vooruit
- Het achterschip loopt naar bakboord en de boeg draait dus naar stuurboord
- Het achterschip loopt naar stuurboord en de boeg draait naar bakboord
- Het schip draait naar de kant waar het roer staat
Toon antwoord
Antwoord: B. Het achterschip loopt naar bakboord en de boeg draait dus naar stuurboord
Het wieleffect ontstaat doordat de schroef zich behalve als stuwer ook als een schoepenrad gedraagt: het onderste blad staat in dichter, dieper water en duwt harder dan het bovenste. Bij een rechtsdraaiende schroef die achteruit draait, wandelt het achterschip daardoor naar bakboord en zwaait de boeg naar stuurboord. Vooruit is dit effect er ook, maar veel zwakker, omdat het roer dan meteen door de schroefstraal wordt aangeblazen. Achteruit ontbreekt die schroefstraal langs het roer juist, en dat is precies waarom het wieleffect dan de baas is.
Bron: Afbakening D 1 Principe van de schroefwerking, Afbakening D 1 Schroef en roerwerking, Typen
-
11. Wanneer is er volgens het BPR sprake van oplopen?
- Als een schip sneller vaart dan het schip dat het nadert, ongeacht de richting
- Als een schip een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22°30' voorlijker dan dwars van dat schip
- Als een schip een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip
- Als een schip een ander schip recht van achteren nadert
Toon antwoord
Antwoord: C. Als een schip een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip
Artikel 6.01 lid 1 onder b BPR omschrijft oplopen als 'naderen door een schip van een ander schip uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip'. De sterkste afleider draait dat om naar 'voorlijker dan dwars'; dat gebied is juist het gebied van kruisende koersen of naderen op tegengestelde koersen. Snelheid speelt in de definitie geen rol.
Bron: BPR artikel 6.01
-
12. U vaart met een klein schip samen met grote schepen een sluis in. Wat is de volgorde?
- Het kleine schip vaart als eerste in om ruimte te maken, en meert vooraan in de kolk
- De schepen varen in volgorde van aankomst in, maar het kleine schip vaart pas na de grote schepen in
- De volgorde wordt door de sluiswachter per keer bepaald, ongeacht de aankomst op de wachtplaats
- Het kleine schip mag helemaal niet samen met grote schepen worden geschut en wacht op een aparte schutting
Toon antwoord
Antwoord: B. De schepen varen in volgorde van aankomst in, maar het kleine schip vaart pas na de grote schepen in
Artikel 6.28 lid 5 BPR: de schepen moeten de sluis invaren in volgorde van aankomst op de wachtplaats, maar een klein schip dat samen met grote schepen wordt geschut mag de sluis pas invaren ná die grote schepen. De reden is praktisch: een groot schip dat achter u binnenkomt en moet stoppen, kan u tegen de sluismuur of de deuren drukken. Alleen schepen met recht op voorschutting gaan volgens artikel 6.28b voor.
Bron: BPR artikel 6.28 lid 1 t/m 6, lid 8 t/m 11 en lid 15, BPR artikel 6.28b
-
13. De smeeroliedruk van uw dieselmotor valt tijdens de vaart weg. Wat doet u?
- Olie bijvullen terwijl de motor draait
- Het toerental verhogen zodat de oliepomp meer levert
- Het toerental verlagen en doorvaren tot de eerste haven
- De motor onmiddellijk stoppen en pas na onderzoek opnieuw starten
Toon antwoord
Antwoord: D. De motor onmiddellijk stoppen en pas na onderzoek opnieuw starten
De afbakening noemt bij de controles tijdens de vaart de smeeroliedruk op meter of lamp, en bij de controles vóór vertrek de gevolgen van te hoge of te lage druk. Zonder oliedruk draaien de lagers metaal op metaal en is een motor binnen enkele tientallen seconden onherstelbaar beschadigd. De enige juiste reactie is direct stoppen; doorvaren op laag toerental verlengt de schade alleen. Meer toeren maken is het slechtste van alles.
Bron: Afbakening B 1.1 Basis motorkennis, Afbakening B 1.2 De behandeling van de voortstuwingswerktuigen
-
14. Welke lichten mag een klein zeilschip korter dan 7 meter 's nachts voeren?
- Alleen boordlichten, aan of nabij de boeg, zonder heklicht en zonder verdere verplichting
- Een rood licht boven een groen licht in de top van de mast, zoals een groot zeilschip
- Een wit gewoon rondom schijnend licht, en bij gevaar voor aanvaring bovendien een tweede wit licht tonen
- Een wit rondom schijnend licht, zonder verdere verplichting bij het naderen van een ander schip
Toon antwoord
Antwoord: C. Een wit gewoon rondom schijnend licht, en bij gevaar voor aanvaring bovendien een tweede wit licht tonen
Artikel 3.13 lid 5 BPR geeft het kleine zeilschip drie mogelijkheden, waarvan de derde alleen openstaat voor schepen korter dan 7 meter: een wit gewoon rondom schijnend licht. Daar hoort wel een verplichting bij die kandidaten vaak vergeten: het schip moet dan bij het naderen van een ander schip, bij gevaar voor aanvaring, een tweede wit gewoon licht tonen om de aandacht te trekken. De laatste afleider laat juist die verplichting weg.
Bron: BPR artikel 3.13
-
15. Wat is het nut van een lenspomp aan boord?
- De motor van koelwater voorzien wanneer de gewone koelwaterpomp uitvalt
- Het drinkwater onder druk brengen zodat de kranen aan boord werken
- Vuilwater naar de wal afvoeren bij een inzamelvoorziening in de haven
- Water dat het schip binnenkomt weer overboord pompen, zodat het schip drijvend blijft
Toon antwoord
Antwoord: D. Water dat het schip binnenkomt weer overboord pompen, zodat het schip drijvend blijft
De afbakening noemt bij de uitrusting de lenspomp, en zegt daarbij uitdrukkelijk dat over het nut van de lenspomp wel vragen worden gesteld. Dat nut is het verwijderen van water dat door lekkage, regen of overkomend water binnenkomt. De afbakening noemt daarnaast de uitvoeringen: motorpomp, handbediend en elektrisch bediend. Vuilwater afvoeren is iets heel anders en valt onder het milieuonderdeel.
Bron: Afbakening B 2.3 Overige veiligheidsvoorzieningen, Afbakening B 3 Milieu
-
16. Wat moet een schip doen voordat het keert?
- Wachten tot er geen enkel ander schip in zicht is
- Toestemming vragen aan de bevoegde autoriteit
- Zich ervan vergewissen dat keren zonder gevaar kan geschieden
- Altijd eerst een geluidssein geven
Toon antwoord
Antwoord: C. Zich ervan vergewissen dat keren zonder gevaar kan geschieden
Artikel 6.13 lid 1 BPR: een schip mag slechts keren nadat het zich ervan heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden. Dezelfde formulering staat bij vertrekken (artikel 6.14 lid 1) en bij het in- en uitvaren van havens (artikel 6.16 lid 1). Er staat geen algemene seinplicht bij; de afleider 'altijd eerst een geluidssein' voegt een verplichting toe die er niet is.
Bron: BPR artikel 6.13, BPR artikel 6.14
-
17. U ziet vier verkeerstekens. Welk teken betekent: verboden hinderlijke waterbeweging te veroorzaken?
- Het teken linksboven
- Het teken rechtsboven
- Het teken midden boven
- Het teken midden onder
Toon antwoord
Antwoord: A. Het teken linksboven
Teken A.9 uit bijlage 7 deel A betekent verboden hinderlijke waterbeweging te veroorzaken, en verwijst naar artikel 6.20 lid 1 onder e BPR. De sterkste afleider is teken B.6, dat een verplichting oplegt om de vaarsnelheid te beperken tot het aangegeven aantal kilometers per uur. Het verschil zit in de norm: B.6 noemt een getal, A.9 verbiedt het effect, hoe langzaam u ook vaart. Teken A.8 verbiedt keren en A.5 verbiedt ligplaats nemen.
Bron: BPR bijlage 7 deel A Verbodstekens, BPR bijlage 7 deel B Gebodstekens, BPR artikel 6.20, BPR artikel 6.13
-
18. Een zeilboot vaart onder zeil en heeft tegelijk de motor aan. Wat is het volgens het BPR?
- Een zeilschip met bijstand
- Een zeilschip
- Dat hangt af van welke voortstuwing overheerst
- Een motorschip
Toon antwoord
Antwoord: D. Een motorschip
Artikel 1.01 A.15° BPR: een zeilschip is een schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen, en de bepaling voegt er zelf aan toe dat een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt een motorschip is. Er is geen tussencategorie en het maakt niet uit welke voortstuwing overheerst. Daarom moet zo'n schip volgens artikel 3.13 lid 7 overdag ook een zwarte kegel met de punt naar beneden voeren.
Bron: BPR artikel 1.01 A.1° t/m A.18°, BPR artikel 3.13
-
19. Wat betekent drie korte stoten?
- Er dreigt gevaar voor aanvaring
- Ik kan niet manoeuvreren
- Ik ga bakboord uit
- Ik sla achteruit
Toon antwoord
Antwoord: D. Ik sla achteruit
Afdeling A van bijlage 6 BPR: drie korte stoten betekent 'Ik sla achteruit'. Dat is een belangrijk sein om te herkennen, want een schip dat achteruitslaat verliest tegelijk zijn stuurvermogen en gaat door het wieleffect uit de koers lopen. Het sein 'Er dreigt gevaar voor aanvaring' is heel anders: dat is een reeks zeer korte stoten, volgens artikel 1.01 onder C 8° ten minste zes stoten van ongeveer een kwart seconde.
Bron: BPR bijlage 6, BPR artikel 1.01 C.1°, C.2°, C.5° t/m C.8°
-
20. Wat betekent teken B.3b (zie het beeld)?
- Verplichting zich naar de stuurboordszijde te begeven
- Verplichting de stuurboordszijde van het vaarwater te houden
- Aanbeveling de stuurboordszijde te houden
- Verplichting het vaarwater over te steken naar stuurboord
Toon antwoord
Antwoord: B. Verplichting de stuurboordszijde van het vaarwater te houden
Bijlage 7 deel B BPR onderscheidt drie sterk gelijkende gebodstekens die alle naar artikel 6.12 verwijzen: B.2 verplicht zich naar een zijde te begéven, B.3 verplicht die zijde te hóuden, en B.4 verplicht het vaarwater over te stéken. De letter b staat telkens voor stuurboord en a voor bakboord. B.3b is dus: de stuurboordszijde houden. Let op: de tekens B.4a en B.4b vallen buiten de afbakening van het KVB1-examen.
Bron: BPR bijlage 7 deel B Gebodstekens