BPR vaarregels oefenen
Oplopen, ontmoeten, kruisen, voorrang van groot en klein, bruggen en sluizen, slecht zicht en de stuurboordwal: de vaarregels uit hoofdstuk 6 en 9 van het Binnenvaartpolitiereglement.
10 gratis oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1, met het antwoord, de uitleg en het wetsartikel. Tik een antwoord aan om het na te kijken.
-
1. Wanneer is er volgens het BPR sprake van oplopen?
- Als een schip sneller vaart dan het schip dat het nadert, ongeacht de richting
- Als een schip een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22°30' voorlijker dan dwars van dat schip
- Als een schip een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip
- Als een schip een ander schip recht van achteren nadert
Toon antwoord
Antwoord: C. Als een schip een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip
Artikel 6.01 lid 1 onder b BPR omschrijft oplopen als 'naderen door een schip van een ander schip uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip'. De sterkste afleider draait dat om naar 'voorlijker dan dwars'; dat gebied is juist het gebied van kruisende koersen of naderen op tegengestelde koersen. Snelheid speelt in de definitie geen rol.
Bron: BPR artikel 6.01
-
2. U nadert met een klein motorschip een engte op een kanaal zonder stroom. Uit de andere richting komt een groot schip. Wie verleent voorrang?
- Het schip dat de engte het snelst kan doorvaren
- Het schip dat het laatst bij de engte is
- Het kleine motorschip
- Het grote schip, want dat kan achteruit slaan
Toon antwoord
Antwoord: C. Het kleine motorschip
Artikel 6.07 lid 6 BPR: bij het doorvaren van een engte op een vaarweg waar geen stroom loopt, verleent een klein schip voorrang aan een op tegengestelde koers naderend groot schip. Dat is een van de weinige plaatsen waar het BPR klein en groot rechtstreeks tegen elkaar afweegt zonder naar de stuurboordwal te kijken. De afleider 'wie het laatst komt wijkt' bestaat in het BPR niet.
Bron: BPR artikel 6.07 lid 1 t/m 6 en lid 8
-
3. U wilt met een klein motorschip keren op een kanaal. Er nadert een groot schip. Wat moet u doen?
- Drie korte stoten geven en dan keren
- Voorrang verlenen aan het grote schip
- Medewerking verlangen van het grote schip
- Keren, want een kerend schip heeft voorrang
Toon antwoord
Antwoord: B. Voorrang verlenen aan het grote schip
Artikel 6.13 lid 3 BPR: een klein schip moet bij het keren voorrang verlenen aan een groot schip. Alleen een groot schip mag bij het keren medewerking verlangen van een ander schip (lid 2); een klein schip mag dat volgens lid 4 uitsluitend van een ander klein schip. De afleider 'een kerend schip heeft voorrang' bestaat niet in het BPR; keren is juist een manoeuvre waarbij u de ander niet mag hinderen.
Bron: BPR artikel 6.13
-
4. Twee schepen hebben kruisende koersen. Eén ervan volgt de stuurboordszijde van het vaarwater. Wie verleent voorrang?
- Het kleinste van de twee schepen
- Het schip dat wél de stuurboordszijde volgt
- Het schip dat níet de stuurboordszijde volgt
- Het schip dat van bakboord nadert
Toon antwoord
Antwoord: C. Het schip dat níet de stuurboordszijde volgt
Artikel 6.17 lid 2 BPR is de hoofdregel bij kruisende koersen: het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, verleent voorrang aan het schip dat die zijde wel volgt. Pas als géén van beide de stuurboordszijde volgt, komen de vervolgregels van lid 3 en verder in beeld. Veel kandidaten beginnen meteen bij 'van bakboord wijkt voor van stuurboord' en slaan lid 2 over.
Bron: BPR artikel 6.17 lid 1 t/m 3 en lid 6 t/m 9
-
5. U vaart met een klein schip samen met grote schepen een sluis in. Wat is de volgorde?
- Het kleine schip vaart als eerste in om ruimte te maken, en meert vooraan in de kolk
- De schepen varen in volgorde van aankomst in, maar het kleine schip vaart pas na de grote schepen in
- De volgorde wordt door de sluiswachter per keer bepaald, ongeacht de aankomst op de wachtplaats
- Het kleine schip mag helemaal niet samen met grote schepen worden geschut en wacht op een aparte schutting
Toon antwoord
Antwoord: B. De schepen varen in volgorde van aankomst in, maar het kleine schip vaart pas na de grote schepen in
Artikel 6.28 lid 5 BPR: de schepen moeten de sluis invaren in volgorde van aankomst op de wachtplaats, maar een klein schip dat samen met grote schepen wordt geschut mag de sluis pas invaren ná die grote schepen. De reden is praktisch: een groot schip dat achter u binnenkomt en moet stoppen, kan u tegen de sluismuur of de deuren drukken. Alleen schepen met recht op voorschutting gaan volgens artikel 6.28b voor.
Bron: BPR artikel 6.28 lid 1 t/m 6, lid 8 t/m 11 en lid 15, BPR artikel 6.28b
-
6. Welke snelheid moet u bij slecht zicht aanhouden?
- De helft van uw normale snelheid, zodat u binnen dezelfde afstand kunt stoppen als anders
- Ten hoogste 6 kilometer per uur ten opzichte van het water, ongeacht de omstandigheden
- Een snelheid aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden
- Een snelheid waarbij u binnen de helft van het zichtbereik kunt stoppen, zoals in de zeevaart
Toon antwoord
Antwoord: C. Een snelheid aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden
Artikel 6.30 lid 1 BPR schrijft een aangepaste snelheid voor, zonder getal: aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen, en aan de plaatselijke omstandigheden. De laatste afleider klinkt professioneel maar komt uit de zeevaart, niet uit het BPR; op de binnenwateren staat er geen stopafstandsregel in het reglement.
Bron: BPR artikel 6.30
-
7. Op welke vaarwegen geldt de stuurboordwalplicht voor kleine schepen níet?
- Op de Waal, de Boven-Rijn, de Geldersche IJssel, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, en ook niet op de Lek
- Alleen op de Maas en de Lek
- Op alle rivieren
- Alleen op de Waal en de Boven-Rijn
Toon antwoord
Antwoord: A. Op de Waal, de Boven-Rijn, de Geldersche IJssel, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, en ook niet op de Lek
Artikel 9.04 lid 2 BPR verplicht een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde te varen op de vaarwegen van bijlage 15 onder a, maar zondert daarbij uitdrukkelijk de Waal, de Boven-Rijn, de Geldersche IJssel, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal uit. De Lek valt er om een andere reden buiten: die staat helemaal niet in bijlage 15 onder a. Samen zijn dat de zes wateren die het examen wil horen. De Maas hoort er niet bij: de Gekanaliseerde Maas staat wél in bijlage 15 onder a, dus daar geldt de plicht gewoon.
Bron: BPR artikel 9.04
-
8. Een sleep die uitsluitend uit kleine schepen bestaat, nadert een groot motorschip. Hoe wordt die sleep in hoofdstuk 6 van het BPR beschouwd?
- Als een klein schip
- Als een groot schip, omdat de sleep in totaal langer is dan 20 meter
- Als een samenstel met eigen voorrangsregels
- Als een groot schip zodra de sleeptros strak staat
Toon antwoord
Antwoord: A. Als een klein schip
Artikel 6.01 lid 2 BPR bepaalt uitdrukkelijk dat onder een klein schip mede worden begrepen een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat. De afleider 'groot schip omdat de sleep langer is dan 20 meter' berust op de misvatting dat de lengte van het samenstel telt; artikel 1.01 A.4° kijkt naar de lengte van het schip, en artikel 6.01 lid 2 regelt het samenstel apart.
Bron: BPR artikel 6.01, BPR artikel 1.01 A.1° t/m A.18°
-
9. Twee schepen naderen een engte op een rivier waar stroom loopt. Wie verleent voorrang?
- Het voor stroom varende schip verleent voorrang aan het tegen stroom varende schip
- Het tegen stroom varende schip verleent voorrang aan het voor stroom varende schip
- Het opvarende schip verleent voorrang, ongeacht de stroom
- Het kleinste schip verleent voorrang
Toon antwoord
Antwoord: B. Het tegen stroom varende schip verleent voorrang aan het voor stroom varende schip
Artikel 6.07 lid 5 BPR: op een vaarweg waar stroom loopt verleent een tegen stroom varend schip voorrang aan een voor stroom varend schip. De reden is praktisch: het voor stroom varende schip kan veel slechter stoppen en sturen. De sterkste afleider draait dit om, vaak vanuit de gedachte dat het schip dat 'harder gaat' moet wijken.
Bron: BPR artikel 6.07 lid 1 t/m 6 en lid 8
-
10. Wat moet een schip doen voordat het keert?
- Wachten tot er geen enkel ander schip in zicht is
- Toestemming vragen aan de bevoegde autoriteit
- Zich ervan vergewissen dat keren zonder gevaar kan geschieden
- Altijd eerst een geluidssein geven
Toon antwoord
Antwoord: C. Zich ervan vergewissen dat keren zonder gevaar kan geschieden
Artikel 6.13 lid 1 BPR: een schip mag slechts keren nadat het zich ervan heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden. Dezelfde formulering staat bij vertrekken (artikel 6.14 lid 1) en bij het in- en uitvaren van havens (artikel 6.16 lid 1). Er staat geen algemene seinplicht bij; de afleider 'altijd eerst een geluidssein' voegt een verplichting toe die er niet is.
Bron: BPR artikel 6.13, BPR artikel 6.14
Verder oefenen: gratis proeftoets · alle onderwerpen