Vaarbewijs oefenen

Vaarbewijs oefenen

Wetgeving en BPR-definities oefenen

Scheepvaartverkeerswet, waar welk reglement geldt, de definities uit het BPR, stilliggen en de regels voor snelle motorboten.

10 gratis oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1, met het antwoord, de uitleg en het wetsartikel. Tik een antwoord aan om het na te kijken.

  1. 1. Welke ademalcoholgrens geldt volgens artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet voor wie een varend schip voert of stuurt?

    1. 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht
    2. 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht
    3. Er geldt geen vaste grens, alleen een verbod op onbekwaamheid
    4. 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht
    Toon antwoord

    Antwoord: A. 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht

    Artikel 27 lid 2 SVW verbiedt het voeren of sturen van een varend schip na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 220 microgram per liter uitgeademde lucht, of het bloedalcoholgehalte hoger dan 0,5 milligram per milliliter bloed. Naast die harde grens staat in lid 1 het bredere verbod om te varen onder invloed van een stof waarvan u weet dat die uw vaardigheid vermindert; die twee gelden dus naast elkaar.

    Bron: SVW artikel 27

  2. 2. Op welke vaarwegen geldt het BPR níet, omdat daar het RPR van kracht is?

    Situatieschets bij de vraag
    1. Boven-Rijn, Waal, Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek
    2. Op alle grote rivieren in Nederland, dus ook op de Maas
    3. Op de Geldersche IJssel, de Maas en de Boven-Merwede
    4. Alleen op de Waal en de Lek, dus niet op de Boven-Rijn
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Boven-Rijn, Waal, Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek

    Artikel 2 lid 1 onder a van het Vaststellingsbesluit BPR zondert de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek uit van het BPR; artikel 1 van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1995 verklaart voor de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, juist het RPR van kracht. Onderdeel b zondert ook de havens en recreatieplassen aan die vaarwegen uit, met uitzondering van de voorhavens van sluizen.

    Bron: Vaststellingsbesluit BPR artikel 2, Besluit RPR 1995 artikel 1

  3. 3. Wat is volgens het BPR een klein schip?

    1. Een pleziervaartuig, ongeacht de lengte
    2. Een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt
    3. Een schip met een waterverplaatsing van minder dan 20 ton
    4. Een schip korter dan 15 meter
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt

    Artikel 1.01 A.4° BPR: een klein schip is een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt, waarbij als lengte geldt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder boegspriet, papegaaistok en trimvlak. Een groot schip is volgens A.3° eenvoudigweg elk schip dat geen klein schip is. Het gaat dus uitsluitend om de lengte, niet om het gebruik of de tonnage.

    Bron: BPR artikel 1.01 A.1° t/m A.18°

  4. 4. Waarmee moet u volgens artikel 7.01 BPR in het bijzonder rekening houden bij het verankeren of meren van uw schip?

    1. Met de verwachte drukte op de vaarweg en de tijd die u wilt blijven liggen
    2. Alleen met de diepgang van uw schip en de waterdiepte op de ligplaats
    3. Alleen met de sterkte van de meerpalen en de bolders waaraan u vastmaakt
    4. Met wind, stroom en verandering van de waterstand, en met zuiging en golfslag
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Met wind, stroom en verandering van de waterstand, en met zuiging en golfslag

    Artikel 7.01 lid 3 BPR eist dat schepen zo verankerd of gemeerd zijn dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor anderen vormen en geen schade aan oevers, waterkeringen of werken veroorzaken, en noemt daarbij uitdrukkelijk wind, stroom, verandering van de waterstand, zuiging en golfslag. De verandering van de waterstand wordt het vaakst vergeten: op stromend water of getijdenwater lopen uw lijnen strak of los terwijl u niet aan boord bent.

    Bron: BPR artikel 7.01 lid 1 en 3

  5. 5. Wat is volgens het BPR een snelle motorboot?

    1. Elke motorboot met meer dan 50 pk, ongeacht de snelheid die daarmee wordt gehaald
    2. Elk schip dat feitelijk sneller vaart dan 20 km per uur op het moment van meten
    3. Een groot motorschip dat sneller dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen
    4. Een klein schip dat met zijn mechanische middelen tot voortbeweging sneller dan 20 km per uur kan varen
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Een klein schip dat met zijn mechanische middelen tot voortbeweging sneller dan 20 km per uur kan varen

    Een snelle motorboot is een klein schip dat harder kan dan 20 km per uur; het gaat om wat de boot kán, niet om hoe hard hij op dat moment vaart. Dat onderscheidt hem van het snelle schip uit artikel 1.01 A.5°, dat juist een groot motorschip is dat harder kan dan 40 km per uur. Die twee begrippen door elkaar halen is de meest gemaakte fout op dit onderwerp, en zij hebben ook tegengestelde voorrangsgevolgen: het snelle schip verleent volgens artikel 6.02 aan iedereen voorrang.

    Bron: BPR artikel 8.01 lid 1 en 2, BPR artikel 1.01 A.1° t/m A.18°, BPR artikel 6.02

  6. 6. Wat wordt in artikel 27 SVW verstaan onder een varend schip?

    1. Elk schip met opvarenden aan boord
    2. Alleen een schip dat sneller vaart dan 6 km per uur
    3. Een schip dat niet ten anker of gemeerd ligt
    4. Elk schip waarvan de motor draait
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Een schip dat niet ten anker of gemeerd ligt

    Artikel 27 lid 5 SVW: in dit artikel en in de artikelen 28, 28a en 29 wordt onder een varend schip verstaan een schip dat niet ten anker of gemeerd ligt. Dat betekent dat u ook onder de alcoholbepaling valt als u stil op het water ligt te drijven zonder anker of meerlijn, ongeacht of de motor draait. Ligt u afgemeerd of voor anker, dan bent u niet varend in de zin van dit artikel.

    Bron: SVW artikel 27

  7. 7. Waar geldt het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990?

    1. Op de Westerschelde met haar mondingen
    2. Op de Oosterschelde en de Westerschelde
    3. Op de hele Schelde tot aan Antwerpen
    4. Op alle Zeeuwse wateren
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Op de Westerschelde met haar mondingen

    Artikel 1 SRW: dit reglement is van toepassing op de Westerschelde met haar mondingen, met inbegrip van een omschreven deel van de territoriale zee bij Vlissingen. Artikel 2 lid 1 onder c van het Vaststellingsbesluit BPR sluit datzelfde gebied uit van het BPR, zodat de twee op elkaar aansluiten. Voor KVB1 hoeft u de precieze grenzen buitengaats niet te kennen, en over de inhoud van het SRW worden pas in KVB2 vragen gesteld.

    Bron: SRW artikel 1, Vaststellingsbesluit BPR artikel 2

  8. 8. Een zeilboot vaart onder zeil en heeft tegelijk de motor aan. Wat is het volgens het BPR?

    1. Een zeilschip met bijstand
    2. Een zeilschip
    3. Dat hangt af van welke voortstuwing overheerst
    4. Een motorschip
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Een motorschip

    Artikel 1.01 A.15° BPR: een zeilschip is een schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen, en de bepaling voegt er zelf aan toe dat een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt een motorschip is. Er is geen tussencategorie en het maakt niet uit welke voortstuwing overheerst. Daarom moet zo'n schip volgens artikel 3.13 lid 7 overdag ook een zwarte kegel met de punt naar beneden voeren.

    Bron: BPR artikel 1.01 A.1° t/m A.18°, BPR artikel 3.13

  9. 9. Op welke plaats mag u volgens artikel 7.02 BPR geen ligplaats nemen?

    1. In een jachthaven
    2. Aan een steiger van een horecagelegenheid
    3. Langs een oever buiten de vaargeul
    4. Onder een brug of onder een hoogspanningslijn
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Onder een brug of onder een hoogspanningslijn

    Artikel 7.02 lid 1 onder d BPR verbiedt uitdrukkelijk ligplaats nemen onder een brug of onder een hoogspanningslijn. Onder een hoogspanningslijn is dat vanwege de overslagafstand naar de mast, onder een brug omdat u daar het zicht en de doorvaart blokkeert. Hetzelfde lid verbiedt ook ligplaats nemen in een engte en in de nabijheid daarvan, waar een vaarweg uitmondt, in het traject van een veerpont en in de route van schepen die willen aanleggen.

    Bron: BPR artikel 7.02 lid 1 en 2, BPR artikel 6.07 lid 1 t/m 6 en lid 8

  10. 10. Wat moet er tijdens het varen met een snelle motorboot aan boord aanwezig zijn?

    1. Een certificaat van goedkeuring
    2. Een kopie van het BPR
    3. Een verzekeringsbewijs
    4. Het registratiebewijs
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Het registratiebewijs

    Artikel 8.01 lid 2 BPR: het registratiebewijs moet tijdens het varen met een snelle motorboot aan boord aanwezig zijn. Lid 1 bepaalt dat de boot ten name van de eigenaar geregistreerd moet zijn bij een door de minister aangewezen instelling, die het registratieteken toekent. Een verzekeringsbewijs is verstandig maar wordt in dit hoofdstuk niet geëist.

    Bron: BPR artikel 8.01 lid 1 en 2

Verder oefenen: gratis proeftoets · alle onderwerpen