Manoeuvreren oefenen
Schroef- en roerwerking, wieleffect, ankeren, zuiging en golfslag, schutten, man-over-boord en aanleggen met en zonder boegschroef, wind of stroom.
10 gratis oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1, met het antwoord, de uitleg en het wetsartikel. Tik een antwoord aan om het na te kijken.
-
1. U slaat achteruit met een schip met een rechtsdraaiende vaste schroef. Wat doet het wieleffect?
- Het schip loopt recht achteruit; het wieleffect werkt alleen vooruit
- Het achterschip loopt naar bakboord en de boeg draait dus naar stuurboord
- Het achterschip loopt naar stuurboord en de boeg draait naar bakboord
- Het schip draait naar de kant waar het roer staat
Toon antwoord
Antwoord: B. Het achterschip loopt naar bakboord en de boeg draait dus naar stuurboord
Het wieleffect ontstaat doordat de schroef zich behalve als stuwer ook als een schoepenrad gedraagt: het onderste blad staat in dichter, dieper water en duwt harder dan het bovenste. Bij een rechtsdraaiende schroef die achteruit draait, wandelt het achterschip daardoor naar bakboord en zwaait de boeg naar stuurboord. Vooruit is dit effect er ook, maar veel zwakker, omdat het roer dan meteen door de schroefstraal wordt aangeblazen. Achteruit ontbreekt die schroefstraal langs het roer juist, en dat is precies waarom het wieleffect dan de baas is.
Bron: Afbakening D 1 Principe van de schroefwerking, Afbakening D 1 Schroef en roerwerking, Typen
-
2. Waarom houdt een anker beter met een stuk ketting ertussen dan met alleen een lijn?
- De ketting is sterker dan de lijn en breekt daardoor niet als het schip bij een windvlaag hard aan het anker trekt
- Het gewicht van de ketting houdt de trek aan het anker horizontaal, waardoor het anker in de bodem grijpt in plaats van eruit te worden getrokken
- De ketting voorkomt dat het anker onklaar raakt, doordat de lijn zich niet om het anker kan slaan
- De ketting maakt het anker zwaarder, en een zwaarder anker zakt dieper in de bodem en houdt daardoor beter
Toon antwoord
Antwoord: B. Het gewicht van de ketting houdt de trek aan het anker horizontaal, waardoor het anker in de bodem grijpt in plaats van eruit te worden getrokken
De afbakening noemt de betekenis van ankerketting en ankerlijn. Een anker grijpt alleen als de trekrichting vlak langs de bodem loopt; trekt u schuin omhoog, dan komt het los. Het gewicht van de ketting laat het laatste stuk doorhangen tot op de bodem, zodat de trek horizontaal blijft, ook als het schip aan een golf trekt. Diezelfde doorhang werkt bovendien als schokdemper. Sterkte is niet de reden: een goede lijn is per kilo juist sterker dan ketting.
Bron: Afbakening D 2 Ankeren
-
3. U passeert met uw kleine motorboot dicht langs een groot vrachtschip dat u tegemoet komt. Wat gebeurt er door de zuiging?
- Uw boot wordt alleen maar afgestoten, van de boeg tot aan het hek van het grote schip
- Uw boot wordt alleen maar aangezogen, van de boeg tot aan het hek van het grote schip
- Uw boot ondervindt geen effect zolang u vaart houdt en het roer middscheeps blijft
- Uw boot wordt eerst afgestoten door de boeggolf en daarna naar het grote schip toe gezogen
Toon antwoord
Antwoord: D. Uw boot wordt eerst afgestoten door de boeggolf en daarna naar het grote schip toe gezogen
De afbakening noemt het effect van zuiging en volgstroom van grote op kleine schepen. Rond een varend groot schip zit een drukveld: bij de boeg is de druk hoog, waardoor uw boot wordt weggeduwd, en langs de flank stroomt het water sneller en is de druk juist laag, waardoor u naar het schip toe wordt gezogen. U krijgt de twee dus vlak achter elkaar, en juist die omslag maakt het gevaarlijk: wie tegen het afstoten instuurt, stuurt bij de omslag recht naar het grote schip toe.
Bron: Afbakening D 2 Effect van het varen in nauw en ondiep vaarwater (zuiging, oeverbeschadiging)
-
4. Wat is de dode hoek van een groot vrachtschip?
- Het gebied achter het schip waar de volgstroom loopt
- De ruimte die het schip nodig heeft om te draaien
- Het gebied vlak vóór het schip dat de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan zien
- Het gebied naast het schip waar de zuiging het sterkst is
Toon antwoord
Antwoord: C. Het gebied vlak vóór het schip dat de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan zien
De afbakening noemt het begrip dode hoek bij de beperkingen in manoeuvreerbaarheid van bepaalde categorieën schepen. Bij een leeg of hoog geladen vrachtschip kijkt de schipper vanuit een stuurhut ver achterop over honderd meter voorschip heen; het water vlak vóór de boeg valt daardoor buiten zijn zicht. Een klein schip dat daar terechtkomt is voor hem letterlijk onzichtbaar, en dat is precies waarom u nooit vlak voor de boeg van een groot schip langs vaart.
Bron: Afbakening D 2 Beperkingen in manoeuvreerbaarheid, dode hoek
-
5. Er valt iemand overboord. Wat zijn uw eerste drie handelingen?
- Direct keren en zo snel mogelijk terugvaren naar de plaats waar de drenkeling te water is geraakt
- Roepen zodat iedereen het weet, iets drijvends overboord gooien, en één persoon aanwijzen die de drenkeling niet uit het oog verliest
- Direct een noodoproep op de marifoon doen en wachten op hulp van de kustwacht of andere schepen
- Eerst de motor stoppen en dan de positie op de GPS vastleggen, voordat u iets anders doet
Toon antwoord
Antwoord: B. Roepen zodat iedereen het weet, iets drijvends overboord gooien, en één persoon aanwijzen die de drenkeling niet uit het oog verliest
De afbakening noemt bij de MOB-manoeuvre de middelen die kunnen worden gebruikt om de drenkeling terug te vinden, de manoeuvre zelf en het aan boord halen. Het grootste risico is dat u de drenkeling uit het oog verliest: een hoofd in het water is binnen tientallen meters onzichtbaar. Alarm, iets drijvends met zichtwaarde overboord, en een vaste uitkijk die niets anders doet dan wijzen, zijn daarom de eerste seconden. De MOB-knop op de GPS en de marifoonoproep volgen daar meteen op, maar vervangen die uitkijk niet. Die uitkijk doet niets anders dan kijken en wijzen.
Bron: Afbakening D 2 Manoeuvre Man over boord (MOB), Afbakening B 2.2 Reddingsmiddelen
-
6. Wat is een voorspring?
- Een lijn die van het voorschip schuin naar achteren naar de wal loopt en het schip belet naar voren te lopen
- Een lijn die het schip dwars tegen de steiger houdt en die bij het afvaren als eerste los gaat
- Een lijn die van het voorschip recht naar de wal loopt en het voorschip tegen de steiger houdt
- Een lijn die van het achterschip schuin naar voren loopt en het schip belet naar achteren te lopen
Toon antwoord
Antwoord: A. Een lijn die van het voorschip schuin naar achteren naar de wal loopt en het schip belet naar voren te lopen
De afbakening noemt de definities van voor- en achtertros en voor- en achterspring. Een tros loopt ongeveer in de lengterichting weg van het schip en houdt het voor of achter vast; een spring loopt schuin en belet juist de beweging in de lengterichting. De voorspring vertrekt van het voorschip en loopt schuin naar achteren, zodat het schip niet naar voren kan lopen. Diezelfde spring is uw belangrijkste hulpmiddel bij het afvaren, want u kunt er met motor en roer omheen draaien.
Bron: Afbakening D 1 Bediening van motor en het werken met lijnen, Afbakening D 1 Aankomen, afvaren, meren en ontmeren
-
7. Wat is een lagerwal?
- De oever waar de wind naartoe waait, dus de oever aan de lijzijde
- De oever met het ondiepste water, waar het schip het eerst aan de grond loopt
- De oever waar de wind vandaan komt, dus de oever aan de loefzijde
- De oever waar de stroom het sterkst is, meestal de buitenbocht
Toon antwoord
Antwoord: A. De oever waar de wind naartoe waait, dus de oever aan de lijzijde
De afbakening noemt hoger- en lagerwal bij de invloeden op de manoeuvres. De lagerwal is de oever waar de wind naartoe waait; u wordt er dus naartoe gedreven. De hogerwal is de oever waar de wind vandaan komt, en daar ligt het water in de luwte en is het vlak. Voor een aanlegmanoeuvre is dat het beslissende verschil: aan een hogerwal duwt de wind u van de kade af en aan een lagerwal juist erop.
Bron: Afbakening D 1 Aankomen, afvaren, meren en ontmeren, Invloeden op de manoeuvres
-
8. Wat doet een boegschroef met het schip?
- Hij verplaatst het hele schip zijwaarts, evenwijdig aan de steiger
- Hij zet de boeg zijwaarts, zonder het schip als geheel te verplaatsen
- Hij versnelt het schip bij het wegvaren, doordat hij de boeg optilt
- Hij vervangt het roer bij lage snelheid en bij het achteruitvaren
Toon antwoord
Antwoord: B. Hij zet de boeg zijwaarts, zonder het schip als geheel te verplaatsen
De boegschroef zit ver voor het draaipunt van het schip en zet daarom vooral de boeg opzij; het achterschip blijft grotendeels staan of loopt de andere kant op. Het schip draait dus, het verplaatst niet. Wilt u het schip als geheel zijwaarts krijgen, dan moet u de boegschroef combineren met de schroefwerking achter of met een spring. De afleider 'verplaatst het hele schip zijwaarts' is de meest gemaakte fout en verklaart waarom mensen met een boegschroef alsnog scheef tegen de steiger komen.
Bron: Afbakening D 1 Schroef en roerwerking, Typen: boegschroef, Afbakening D 1 Gebruik boegschroef
-
9. Waarom werkt het roer niet meer zodra het schip geen vaart meer heeft en de motor in zijn vrij staat?
- Omdat de schroef het roer blokkeert zodra hij niet meer draait en het roer daardoor vast blijft staan
- Omdat het roer dan automatisch middscheeps gaat staan en geen hoek meer maakt met de stroming
- Omdat het roer bij lage snelheid te licht is en daardoor door de eigen golfslag wordt weggedrukt
- Een roer werkt alleen als er water langs stroomt; zonder stroming ontstaat er geen zijwaartse kracht
Toon antwoord
Antwoord: D. Een roer werkt alleen als er water langs stroomt; zonder stroming ontstaat er geen zijwaartse kracht
De afbakening noemt bij de roerwerking de krachten op het roer, zowel vooruit als achteruit varend, en de gevolgen daarvan voor het manoeuvreren. Een roer is een vleugel: pas als er water langs stroomt, ontstaat er een dwarskracht die het achterschip opzij duwt. Ligt het schip stil, dan levert het roer niets, hoe hard u het ook overlegt. Daarom kunt u met een korte stoot vooruit water langs het roer jagen en zo toch een draaiing beginnen zonder veel vaart te maken.
Bron: Afbakening D 1 Principe van de roerwerking, Afbakening D 1 Principe van de schroefwerking
-
10. Wat betekent het als het anker krabt?
- De ankerlijn schuurt langs de boeg en kan daar doorslijten
- Het anker zit vast onder een obstakel en komt niet meer los
- De ankerketting is te kort uitgestoken en staat verticaal op het anker
- Het anker houdt niet en sleept over de bodem, zodat het schip verdrijft
Toon antwoord
Antwoord: D. Het anker houdt niet en sleept over de bodem, zodat het schip verdrijft
De afbakening noemt het krabbende anker naast het onklare anker, en die twee zijn elkaars tegengestelde. Een krabbend anker heeft juist géén grip en sleept over de bodem, waardoor het schip langzaam verdrijft; een onklaar anker zit vast of is verward geraakt en komt niet meer los. Krabben merkt u aan een schokkende ketting, aan het veranderen van uw peiling op een vast punt aan de wal, en aan de GPS die beweging toont terwijl u meent stil te liggen.
Bron: Afbakening D 2 Ankeren
Verder oefenen: gratis proeftoets · alle onderwerpen