Brughoogte en waterdiepte oefenen
Hoogteschalen en peilschalen aflezen, en met NAP, kanaalpeil en de actuele stand uitrekenen of je onder een brug door kunt en genoeg water hebt.
10 gratis oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1, met het antwoord, de uitleg en het wetsartikel. Tik een antwoord aan om het na te kijken.
-
1. Op de brugpijler staat een hoogteschaal (zie het beeld). Hoeveel doorvaarthoogte is er op dit moment onder de brug?
- 4,10 m
- 3,70 m
- 3,10 m
- 4,70 m
Toon antwoord
Antwoord: A. 4,10 m
Een hoogteschaal bij een brug is zo aangebracht dat u de beschikbare doorvaarthoogte rechtstreeks afleest bij het wateroppervlak: hier 4,10 meter. U hoeft er niets bij op te tellen of van af te trekken, en NAP speelt geen rol. De afleiders liggen vier tot tien decimeter van het goede antwoord. Daar komt u op uit als u het cijfer pakt dat net boven of net onder de waterlijn staat in plaats van de waterlijn zelf, of als u een hele meter mis telt. Lees dus eerst het cijfer af en tel daarna de decimeterbalkjes tot aan het water erbij.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: aflezen hoogteschalen
-
2. De peilschaal is genummerd ten opzichte van NAP (zie het beeld). Wat is de actuele waterstand?
- +0,15 m t.o.v. NAP
- -0,25 m t.o.v. NAP
- +0,25 m t.o.v. NAP
- +0,50 m t.o.v. NAP
Toon antwoord
Antwoord: C. +0,25 m t.o.v. NAP
Een peilschaal die ten opzichte van NAP is genummerd, leest u af bij het wateroppervlak: de actuele waterstand is +0,25 meter ten opzichte van NAP. De sterkste afleider draait het teken om, en dat is niet onschuldig: bij een berekening van de vaarwegdiepte scheelt dat twee keer de afgelezen waarde. Eén afleider ligt bovendien een decimeter naast het goede antwoord; lees daarom af bij de waterlijn zelf en tel vanaf het dichtstbijzijnde genummerde streepje.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Diepte: aflezen peilschalen, Afbakening C 1 Het NAP en andere vergelijkingsvlakken
-
3. De peilschaal geeft een waterstand van NAP +1,30 m. Volgens de kaart ligt de bodem van het vaarwater op NAP -4,80 m. Hoe diep is het water ter plaatse?
- 6,10 m
- 6,20 m
- 3,50 m
- 4,80 m
Toon antwoord
Antwoord: A. 6,10 m
De vaarwegdiepte is het verschil tussen het wateroppervlak en de bodem, beide uitgedrukt ten opzichte van hetzelfde vlak NAP: +1,30 min -4,80 is 6,10 meter. Omdat de bodemhoogte negatief is, wordt het aftrekken van een negatief getal een optelling, en juist daar gaat het mis. De sterkste afleider draait de aftrekking om en levert een negatieve diepte op; een negatieve uitkomst is altijd een teken dat u de twee vlakken hebt verwisseld.
Bron: Afbakening C 1 Het NAP en andere vergelijkingsvlakken, Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: berekenen doorvaarthoogte, Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Diepte: berekenen vaarwegdiepte
-
4. Op de brugpijler staat een hoogteschaal (zie het beeld). Hoeveel doorvaarthoogte is er op dit moment onder de brug?
- 7,80 m
- 7,20 m
- 6,80 m
- 6,20 m
Toon antwoord
Antwoord: C. 6,80 m
Een hoogteschaal bij een brug is zo aangebracht dat u de beschikbare doorvaarthoogte rechtstreeks afleest bij het wateroppervlak: hier 6,80 meter. U hoeft er niets bij op te tellen of van af te trekken, en NAP speelt geen rol. De afleiders liggen vier tot tien decimeter van het goede antwoord. Daar komt u op uit als u het cijfer pakt dat net boven of net onder de waterlijn staat in plaats van de waterlijn zelf, of als u een hele meter mis telt. Lees dus eerst het cijfer af en tel daarna de decimeterbalkjes tot aan het water erbij.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: aflezen hoogteschalen
-
5. De peilschaal is genummerd ten opzichte van NAP (zie het beeld). Wat is de actuele waterstand?
- -0,65 m t.o.v. NAP
- +0,50 m t.o.v. NAP
- +0,65 m t.o.v. NAP
- +0,75 m t.o.v. NAP
Toon antwoord
Antwoord: C. +0,65 m t.o.v. NAP
Een peilschaal die ten opzichte van NAP is genummerd, leest u af bij het wateroppervlak: de actuele waterstand is +0,65 meter ten opzichte van NAP. De sterkste afleider draait het teken om, en dat is niet onschuldig: bij een berekening van de vaarwegdiepte scheelt dat twee keer de afgelezen waarde. Eén afleider ligt bovendien een decimeter naast het goede antwoord; lees daarom af bij de waterlijn zelf en tel vanaf het dichtstbijzijnde genummerde streepje.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Diepte: aflezen peilschalen, Afbakening C 1 Het NAP en andere vergelijkingsvlakken
-
6. De peilschaal geeft een waterstand van NAP +1,30 m. Volgens de kaart ligt de bodem van het vaarwater op NAP -2,80 m. Hoe diep is het water ter plaatse?
- 4,10 m
- 4,20 m
- 2,80 m
- 1,50 m
Toon antwoord
Antwoord: A. 4,10 m
De vaarwegdiepte is het verschil tussen het wateroppervlak en de bodem, beide uitgedrukt ten opzichte van hetzelfde vlak NAP: +1,30 min -2,80 is 4,10 meter. Omdat de bodemhoogte negatief is, wordt het aftrekken van een negatief getal een optelling, en juist daar gaat het mis. De sterkste afleider draait de aftrekking om en levert een negatieve diepte op; een negatieve uitkomst is altijd een teken dat u de twee vlakken hebt verwisseld.
Bron: Afbakening C 1 Het NAP en andere vergelijkingsvlakken, Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: berekenen doorvaarthoogte, Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Diepte: berekenen vaarwegdiepte
-
7. Op de brugpijler staat een hoogteschaal (zie het beeld). Hoeveel doorvaarthoogte is er op dit moment onder de brug?
- 3,90 m
- 2,90 m
- 3,40 m
- 4,40 m
Toon antwoord
Antwoord: C. 3,40 m
Een hoogteschaal bij een brug is zo aangebracht dat u de beschikbare doorvaarthoogte rechtstreeks afleest bij het wateroppervlak: hier 3,40 meter. U hoeft er niets bij op te tellen of van af te trekken, en NAP speelt geen rol. De afleiders liggen vier tot tien decimeter van het goede antwoord. Daar komt u op uit als u het cijfer pakt dat net boven of net onder de waterlijn staat in plaats van de waterlijn zelf, of als u een hele meter mis telt. Lees dus eerst het cijfer af en tel daarna de decimeterbalkjes tot aan het water erbij.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: aflezen hoogteschalen
-
8. De peilschaal is genummerd ten opzichte van NAP (zie het beeld). Wat is de actuele waterstand?
- +1,50 m t.o.v. NAP
- +1,70 m t.o.v. NAP
- +1,80 m t.o.v. NAP
- -1,80 m t.o.v. NAP
Toon antwoord
Antwoord: C. +1,80 m t.o.v. NAP
Een peilschaal die ten opzichte van NAP is genummerd, leest u af bij het wateroppervlak: de actuele waterstand is +1,80 meter ten opzichte van NAP. De sterkste afleider draait het teken om, en dat is niet onschuldig: bij een berekening van de vaarwegdiepte scheelt dat twee keer de afgelezen waarde. Eén afleider ligt bovendien een decimeter naast het goede antwoord; lees daarom af bij de waterlijn zelf en tel vanaf het dichtstbijzijnde genummerde streepje.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Diepte: aflezen peilschalen, Afbakening C 1 Het NAP en andere vergelijkingsvlakken
-
9. De peilschaal geeft een waterstand van NAP -0,60 m. Volgens de kaart ligt de bodem van het vaarwater op NAP -5,10 m. Hoe diep is het water ter plaatse?
- 5,10 m
- 5,70 m
- 4,50 m
- 4,60 m
Toon antwoord
Antwoord: C. 4,50 m
De vaarwegdiepte is het verschil tussen het wateroppervlak en de bodem, beide uitgedrukt ten opzichte van hetzelfde vlak NAP: -0,60 min -5,10 is 4,50 meter. Omdat de bodemhoogte negatief is, wordt het aftrekken van een negatief getal een optelling, en juist daar gaat het mis. De sterkste afleider draait de aftrekking om en levert een negatieve diepte op; een negatieve uitkomst is altijd een teken dat u de twee vlakken hebt verwisseld.
Bron: Afbakening C 1 Het NAP en andere vergelijkingsvlakken, Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: berekenen doorvaarthoogte, Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Diepte: berekenen vaarwegdiepte
-
10. Op de brugpijler staat een hoogteschaal (zie het beeld). Hoeveel doorvaarthoogte is er op dit moment onder de brug?
- 6,10 m
- 5,10 m
- 6,50 m
- 5,60 m
Toon antwoord
Antwoord: A. 6,10 m
Een hoogteschaal bij een brug is zo aangebracht dat u de beschikbare doorvaarthoogte rechtstreeks afleest bij het wateroppervlak: hier 6,10 meter. U hoeft er niets bij op te tellen of van af te trekken, en NAP speelt geen rol. De afleiders liggen vier tot tien decimeter van het goede antwoord. Daar komt u op uit als u het cijfer pakt dat net boven of net onder de waterlijn staat in plaats van de waterlijn zelf, of als u een hele meter mis telt. Lees dus eerst het cijfer af en tel daarna de decimeterbalkjes tot aan het water erbij.
Bron: Afbakening C 1 Diepten en brughoogten, Hoogte: aflezen hoogteschalen
Verder oefenen: gratis proeftoets · alle onderwerpen